De politiestaat in wording
Op het hoogste leidinggevende niveau van de SS was
sinds 1 oktober 1931 een even minuscuul als geheimzinnig kan-
toor gevestigd dat zich «Sicherheitsdienst Reichsführer-SS» noem-
de.
Aan het hoofd van dit bureau zetelde de lange SS-Sturm-
bannführer en voormalig marine-officier Reinhardt Heydrich,
waarover lange tijd werd gekonkeld en gefluisterd dat hij Joodse
voorouders had. Het gerucht vond zijn oorsprong in het feit dat
Heydrichs grootmoeder tweemaal was getrouwd en in tweede in-
stantie met een man namens Süß wiens naam zij bij gelegen-
heid gebruikte. De verdacht dat de man die ooit een van de
machtigste en gevaarlijkste mannen in Duitsland zou worden,
bloed van de doodsvijand in zijn aderen zou hebben, is nooit
helemaal uit de wereld geholpen, al was tot in details materiaal
aangedragen dat de naam Süß in dit geval niet van Joodse oor-
sprong was. Deze discussie om zijn afkomst bleef tot na de oor-
log door zeuren. Heel lang werd gegist dat het Joodse deel in
Heydrich hem had gedreven tot wat hij uiteindelijk werd of als
wat hij zich profileerde. Eenzelfde discussie smeult ook nog
steeds over de wel of niet Joodse afkomst van Adolf Hitler.
Maar al die emotionele speculaties en gissingen naar Hey-
drichs 'zwarte zijde' bleken onzin te zijn. Heydrich haatte de Jo-
den niet die hij zo massaal liet vermoorden, zij interesseerden
hem gewoon niet; zij waren slechts een onderdeel van een
gestelde taak die tot een bevredigend einde moest worden ge-
bracht en dat zo snel en economisch verantwoord mogelijk.
Heydrich was absoluut geen nazi-ideoloog; hij was een tech-
nocraat. Zaken als mystiek en geloof waar Himmler op zijn ma-
nier mee worstelde, lieten Heydrich volkomen onverschillig.
Bij deze man draaide alles om persoonlijke macht; andere
gevoelens schenen hem niet bezig te houden. Mogelijk was een
aan autisme verwant aspect deel van zijn psyche. Tot aan zijn
In tegenstelling tot Himmler, was Reinhardt Heydrich abso-
luut geen Hitler-aanbidder en Heinz Höhne acht het in zijn goed
gedocumenteerde boek «Der Orden unter dem Totenkopf» in-
derdaad zeer goed mogelijk dat hij tot de groep activisten van 20
Juli 1944 zou kunnen hebben behoord als hij toen nog had ge-
leefd, al lijkt het zelfs nog logischer dat hij niet zo lang zou heb-
ben gewacht en was voor hem na de val van Stalingrad de maat
al vol geweest. Hij schijnt tot een kennis ooit gezegd te hebben
dat hij de eerste zou zijn die Hitler uit de weg zou ruimen als de-
ze er een knoeiboel van zou maken. Hij had er niet vroeg genoeg
mee kunnen beginnen.
De vraag is alleen of de remedie in dat geval niet erger zou
zijn geweest dan de kwaal.
De verhouding tussen Himmler en zijn tweede man, Hey-
drich, was even eigenaardig als typerend: Heydrich, de duidelijk
slimmere van de twee, was tegenover Himmler de hoffelijkheid
zelve, bijna onderdanig, vergelijkbaar met een jonge officier te-
genover zijn oudere generaal.
Hij werd, na een intern proces, uit de marine ontslagen en
kon eigenlijk nergens meer terecht waar hij het marine-blauw
kon dragen behalve... bij de Marine-SA. Hij werd in 1931 lid van
deze afdeling van de Sturm-Abteilung en niet vanwege zijn poli-
tieke instelling want die had hij niet; zijn vrouw Lina trouwens
wèl. Zij adoreerde Hitler. Dat deed ook de zuster van Heydrich
die contact zocht met een peettante wier zoon een aanzienlijke
functie bij de SA vervulde. Er werd aan touwtjes getrokken en
omdat de hulpverlenende SA-functionaris absoluut geen idee
had van het feit dat een verbindingsofficier niet hetzelfde was
als een geheimagent, kwam Reinhardt Heydrich op 14 juni 1931
op het kantoor van Himmler terecht die op dat moment toevallig
een man voor zijn nog vorm te geven veiligheidsdienst zocht.
Heydrich kreeg twintig minuten de tijd om een structuuront-werp
van de toekomstige veiligheidsdienst op een blad papier te
krabbelen. Hij deed dat en Himmler was tevreden. Per 1 oktober
1931 nam Heydrich als SS-Sturmführer dienst bij de staf van de
Reichsführer-SS en ging aan het werk.
De Sicherheitsdienst (SD), een idee en wens van Hitler, was
in het leven geroepen.
Heydrich was, als geen ander, geboren voor deze baan. Hij
betrok een klein kantoortje in het Bruine Huis, het hoofdkantoor
van de NSDAP, en begon onmiddellijk acties te ondernemen om
de partij en alle geassocieerde organisaties van eventuele spion-
nen en saboteurs te zuiveren.
Toen medewerkers van de partij te nieuwsgierig naar zijn
activiteiten werden, verhuisde hij met drie medewerkers onmid-
dellijk naar een privé-woning in de Türkenstraße 23 in München.
Van daaruit ondernam hij reizen door Duitsland op zoek naar in-
spiratie voor zijn inlichtingendienst.
Om te beginnen, haalde hij alle informanten en agenten uit
de diverse SS-afdelingen en concentreerde deze in zijn nieuwe
Sicherheitsdienst die nu naar een gebouw in de Zuccalistraße in
München verhuisde. Hier werd alle beschikbare informatie in één
gigantisch archief bijeen gebracht. Maar hier stopte de ambitie
van Heydrich niet.
Nu zijn SD vaste vorm begon te krijgen, vond hij hem ook
geschikt voor een groter taken-pakket. Hij zag de mogelijkheid
voor een landelijke politiedienst voor het moment dat Hitler in
Duitsland de macht overnam. Himmler was aangenaam verrast
over de koortsachtige bedrijvigheid van die man die met zijn eigenaardig hoge falsetstem zijn personeel in telegramstijl aan het
werk zette.
Himmler beloonde deze ijver met rangonderscheidingen: SS-Sturmführer op 10 augustus 1931, SS- Hauptsturmführer op 1 de-
cember 1931, op 19 juli 1932 formeel leider van de Sicherheitsdienst, 10 dagen later bevorderd tot SS-Standartenführer en op 21
maart 1933 kreeg hij de rang van SS-Oberführer toegewezen. De Germaanse goden hadden Himmler de ideale veiligheidsman toe-
gespeeld, of, zoals Heinz Höhne het stelde: "Heydrich bracht de ideale eigenschappen van een inlichtingendienstchef met zich
mee: hardheid, volledig ontbreken van sentimentaliteit, een haast onverzadigbare honger naar informatie en een kippenvel veroor-
zakende minachting voor de medemens."
Heydrich was een absoluut natuurtalent, de inlichtendienstchef in optima forma en het wordt algemeen aangenomen dat hij bij
Himmler het idee wortel heeft laten schieten, de SS tot nationaal politie-apparaat op te waarderen. En hij deed niet alleen dat; hij
slingerde dit politie-apparaat naar een hoger niveau. Normaal was het voor de politie voldoende om vijanden van de staat op heter-
daad te betrappen en vervolgens in te rekenen. Heydrich ging zover om die tegenstander van de staat al op te pakken of te registre-
ren voordat deze zelf de mogelijkheid onderkende om een actieve tegenstander te worden. Daarvoor was het nodig dat de Sicher-
heitsdienst uiteindelijk het hele sociale leven in het rijk controleerde.
Hier was een absolute politiestaat in de maak.
Voorlopig was het echter nog toekomstmuziek, maar al op 9 maart 1933 wist Himmler zich in Beieren in het systeem van de lan-
delijke politie te wurmen en Heydrich stak bij die actie de politieke tak van het Beierse politie-apparaat in zijn zak.
Een week later was Himmler al politiek referent in het Beierse ministerie van binnenlandse zaken en Heydrich werd onmiddellijk
tot zijn plaatsvervanger gebombardeerd. Beieren werd het oefenterrein voor wat later op geheel Duitsland zou worden toegepast:
Himmler stichtte binnen het ministerie een bureau 'Politieke Politiechef', terwijl Heydrich de Beierse Politieke Politie oprichtte en be-
mande met leden van zijn eigen SD. Tegelijkertijd werd een wet van kracht die het mogelijk maakte dat de politieke politie zonodig
gebruik kon maken van de geüniformeerde politie indien er executief moest worden opgetreden. Op die manier kwam de 'gewone'
politie in dienst van de SD terecht. En omdat de gevangenissen onder het nieuwe bewind al ras uitpuilden van de politieke gevange-
nen, kwam Gauleiter Adolf Wagner op het praktische idee om concentratiekampen voor de politieke verdachten als "Schutzhaft"-
instrument in te richten (de Nederlandse taal leent zich niet voor woorden als "Schutzhaft" (beschermende hechtenis), waarmee
verdachte personen konden worden opgesloten zonder dat er sprake was van enige strafbare handeling, in feite was verdacht al
strafbaar).
Doordat Himmler een dubbelfunctie had, zowel als Reichsführer-SS en als chef van de Politieke Politie, was hij oncontroleerbaar
geworden. Als commandant van de Politieke Politie was hij ondergeschikt aan de minister van Binnenlandse Zaken en diende diens
orders op te volgen, maar niet als Reichsführer-SS, want als zodanig was hij chef van een organisatie van de partij en stond hij in
rang boven de minister en zijn departement. Omgekeerd kon Röhm als chef van de SA problemen maken en inspraak eisen omdat
de SS voort kwam uit de SA, maar Röhm kon geen opdrachten geven aan de politiechef van de politieke afdeling van een ministerie.
Op die manier hadden Himmler en Heydrich volledig vrij spel. Het was in deze tijd dat de naam Dachau symbool werd voor een
bedrijvigheid die zelfs leden van de partij soms te ver ging. Maar de heren van de veiligheid waren niet te stuiten. Zij hadden nog
meer plannen want Beieren was niet genoeg, het was hen om de rest van het rijk te doen en ze hadden haast want in Pruisen had
Göring de Gestapo in het leven geroepen en ongeveer volgens hetzelfde model gestructureerd als de twee SS’ers in Beieren. Hier
kwam de Rijkminister van Binnenlandse Zaken, Wilhelm Frick, te hulp, ook al had hij eerder bezwaar gemaakt tegen de praktijken
van het griezelduo in Beieren. Net als Himmler, wilde Frick een gecentraliseerd nationaal politieapparaat en de separatistische capri-
olen van de Pruis Göring stootten hem danig tegen de borst. In eerste instantie stond Göring nog sterk, maar toen hij als tegenstan-
der van Röhm de steun van de SS nodig had, stond hij de Gestapo aan het duo af in ruil voor hulp bij de vermeende Röhm-opstand.
In principe was het doel van de heren uit Beieren bereikt: ze hadden de volledig macht over de politieke politie op nationaal niveau.
Maar het was te vroeg, want nog waren de oudgedienden van de politie baas in eigen huis en wisten steeds de SS’ers een stapje
voor te blijven.
Heydrich was het even allemaal zat en stapte tijdelijk op als baas van de Sicherheitsdienst. Hij
ging eens op zoek naar deugdelijk personeel en kwam bij professionals terecht die vroeger zelfs
tegenstander van de partij waren geweest. In München wist hij een groep rechercheurs voor zich
te winnen die bekend stonden als de harde kern van het politieapparaat. Hetzelfde deed hij in
Berlijn.
De basis voor een politiestaat is de vrees voor de eventuele tegenstander. Daarom is de eerste
handeling van het veiligheidsapparaat van een dergelijke staat de creatie van die vijand die vol-
gens wetten van de logica in de regel niet zichtbaar is en dus in het geheim aan de fundamenten
van de nieuwe staat knaagt of, zoals Heydrich het stelde: "Hij werkt illegaal, zijn doel bestaat daar-
in, de eenheid van de leiding van de staat te vernietigen. De vertakking van het web van deze vij-
and is gruwelijk en gigantisch." De organisaties van de vijand waren vernietigd maar daarmee was
de vijand nog niet verdreven; hij had zich naar buiten toe geconformeerd aan de staat maar stie-
kem was hij nog steeds de vijand die in het geheim zijn troebel spel speelde. Het doel was nu, de
vijand in zijn camouflage te herkennen, op te sporen en te vernietigen. En nu de taak was ge-
formuleerd, kon het eigenlijke, levensbelangrijke werk beginnen. De jonge Gestapo van Heydrich
werd in zes afdelingen heropgericht:
- Afdeling "Marxismus" die de opdracht had alle politiek links gerichte organisaties en perso-
nen op te sporen, te bespieden en uiteindelijk op te rollen,
- Afdeling "Reaktion, Rechtsopposition, Kirchen" van waaruit alle eventuele tegenstanders van
rechts en nationaal gezindte, maar ook vanuit de katholieke kerk in de gaten werden gehouden. Onder verdachte nationalis-
tische organisaties kon ook de oorlogsveteranen-organisatie van de "Stahlhelm" worden gerekend, want niet alle leden van
de oorspronkelijke staalhelm-organisatie waren lid van de partij en vriend van Hitler geworden; zij wensten veel eerder de
terug-keer van de monarchie en hadden niets op met de nazi's.
- Afdeling "NSDAP, Abtreibung, §175 (homoseksualiteit), Rassenschande", die zich bezig moest houden met wankelende types
in de partij, abortus, homoseksuelen en relaties die tot gemengde huwelijke konden leiden. Alles wat een raszuivere
voortplan-ting in de weg stond, diende te worden bevochten.
- Afdeling "Wirtschaft" controleerde legale verenigingen en handelsorganisaties inclusief de "Deutsche Arbeitsfront", de door
de partij opgerichte vakvereniging die de oorspronkelijke vrije vakverenigingen moest vervangen.
- Afdeling "Schutshaftbefehle" regelde de doorstroom naar de concentratiekampen.
- Afdeling "Freimaurerei und religiöse Sekten" diende leden van vrijmetselaarsloges en religieuze sekten op te sporen en op te
sluiten. De vrijmetselaarsloge was als internationale organisatie verboden en religieuse sekten waren ook niet betrouwbare
organisaties in het oog van de Gestapo en de partij.
Deze nieuwe organisatie kon beginnen, de mazen van het net dat Göring eerder had uitgeworpen, strakker dicht te trekken en
de vangst binnen te halen. Onder Göring was het begrip van staatsvijand nog betrekkelijk vaag en concentreerde zich in de regel
uitsluitend rond wat als communist of "Marxist" werd begrepen. Maar de nieuwe bazen van de hernieuwde organisatie brachten niet
alleen een nieuwe aanpak maar ook duidelijkere definities mee.
"Staatsvijand is nu ieder die het volk, de partij en de staat, zijn politieke basis en acties opzettelijk tegen werkt." en voor eenvou-
diger zielen: "In het bijzonder horen daarbij Communisme, Marxisme, Jodendom, politiek actieve kerken, Vrijmetselaren, politiek on-
tevredenen (mopperaars), nationale oppositie, reactie, het Zwarte Front (van Hugo Straßer), economische saboteure, herhalings-de-
linquenten, maar ook abortusklinieken en abortusplegers en homoseksuelen (als bedreiging voor de bevolkingsgroei en aanvulling
van het leger) en tot slot hoog- en landsverraders (wat op iedereen van toepassing kon zijn die tegen het systeem in opstand kwam
of zijn opgedrongen burgerplicht verzuimde). De vijanden van de staat werden in drie groepen onderverdeeld en in databanken op-
geslagen:
A1 - tegenstanders van het regime die bij een geplande mobilisatie gearresteerd dienden te worden,
A2 - verdachte personen die bij bekendgemaakte mobilisatie gearresteerd moesten worden en
A3 - burgers die in tijden van extreme belasting (mogelijke oorlogssituaties) gearresteerd of in ieder geval in de gaten dienden
te worden gehouden.
Elke groep van eventuele tegenstanders werd ook weer in groepen onderverdeeld. Oppositie tegen het regime en zijn opvat-
tingen, zover geformuleerd, werd ervaren als een ziekte die de gezondheid van het systeem kon aantasten en derhalve moest wor-
den bestreden met alle beschikbare middelen. En zo waren alle denkbare en mogelijke tegenstanders van het regime in kaart ge-
bracht en kon de opsporing beginnen.
Een dergelijke taakomvang benodigde een dienovereenkomstig apparaat. Wat onder Göring ooit was begonnen met 35 man in het
Berlijnse hoofdbureau van politie, was in 1935 al uitgegroeid tot een machine met meer dan 600 raderen. De Gestapo spreidde
zijn wortels niet alleen uit onder het gehele politieapparaat van het land, maar greep zich ook vast aan de grenzen van datzefde
land en bemoeide zich steeds meer met de taken van de militaire contraspionage.
Aan de grenzen van Hitlers Derde Rijk werd een onzichtbare muur opgetrokken die de vijanden van binnen en de vijanden van
buiten moest isoleren. Vluchtelingen moest de vlucht naar buiten onmogelijk worden gemaakt en invloeden van buiten moesten
zoveel mogelijk worden geweerd. Mensen die als ongewenst moesten worden uitgewezen, werden tot aan hun deportatie officieel
in concentratiekampen opgesloten, zogenaamd om te voorkomen dat ze zich vóór die tijd aan de arm van het apparaat onttrokken.
De toestanden leken erg op wat jongeren onder ons zich nog van de DDR weten te herinneren.
Natuurlijk was er ook iets van verzet tegen deze ingrijpende kankercellen-wildgroei en wel vanuit de rechterlijke macht zelf. De-
ze macht keerde zich in het begin vooral tegen de moord- en martelpraktijken in de concentratiekampen met als uiterst doel de op-
heffing van de kampen als zodanig. Het is uiteindelijk zelfs tot een gerechtelijk onderzoek gekomen en een kampleider is opgepakt
en veroordeeld. Het verzet was op dat moment dermate massaal en massief dat Himmler zich genoodzaakt zag, die kampleider van
Dachau te laten vallen en te vervangen door iemand die minder opvallend zijn grauwe werk deed. Maar alle pogingen, het Duitse
recht weer enigszins op iets dat met recht te maken had, te laten lijken, mislukten en vingen bot aan de onverbiddelijk harde lijn die
de heren Himmler en Heydrich, beschermd en gesteund door Hitler, wilden blijven volgen. De terreur van de Gestapo en het sys-
teem van de concentratiekampen had pas zin, als het symbool stond voor onbarmhartige gruwelijkheid en het volk sidderde alleen
al bij het idee en de gedachte er aan.
Nadat het verzet vanuit de rechterlijke macht meer of minder was afgeweerd, volgde het verzet vanuit de rijen van de nazi's
zelf. Gauleiters en hoge regeringsfunctionarissen begonnen het zat te worden dat voortdurend een Gestapo-schaduw over hun
schouder mee keek.
Na 1933 begon het touwtrekken om het bevel over de gehele Duitse politie. Rijksminister van Binnenlandse Zaken, Frick, had
zijn eigen plannen waarmee hij Himmler het liefst zover mogelijk van de politie af wilde houden. Hij had als opperbevelhebber over
de algemene politie de Himmler-tegenstander Kurt Daluege op het oog. Maar Himmler en Heydrich lieten zich niet uit het veld slaan
en drongen bij Hitler erop aan, het hele politie-apparaat, geüniformeerd zowel als ongeüniformeerd, ondergeschikt te maken aan
de Reichsführer-SS. Daarmee zou worden voorkomen dat voor inzet van politie-acties eerst moest worden aangeklopt bij het Ministe-
rie van Binnenlandse Zaken. In 1936 kregen de heren van het doodshoofd hun zin: De gehele Politie kwam onder het bevel van de
Reichsführer-SS te staan, waarmee het een instrument voor Himmlers en Heydrichs plannen werd. Toen Hitler op 17 juni 1936 de
Politie officieel onder het opperbevel van Himmler plaatste, regelde deze onmiddellijk dat de Sicherheitsdienst en de Gestapo in
één organisatie werden samengevoegd. De Politie werd opgedeeld in 'Schutz'- en 'Ordnungspolizei' (Beschermings- en Ordepolitie),
waarbij de eerste samen met SD en als diens uitvoerende arm zorgde voor politieke 'orde' en veiligheid en de tweede de taken van
verkeer en burgerlijke orde in steden en gemeenten kreeg toegewezen.
Organisaties zoals de beroepsbrandweer en het Duitse equivalent van Bescherming Bevolking bij luchtaanvallen en rampen vie-
len onder het bevel van de Schutspolizei. De Schutzpolizei kende ook nog een derde tak, namelijk de "kasernierte Schutzpolizei",
een tak van de politie die deels militaire functies beheerde. Zij kregen pas in de oorlog duidelijke taken toegewezen, zoals het bij-
een drijven van Joden en het uitschakelen van partizanen. Veel van de oorlogsmisdaden die aan het Duitse leger werden toege-
schreven, waren in feite door deze organisatie van de Schutzpolizei gepleegd, herkenbaar aan de donkerbruine kraag op uniform-
tuniek en -jas en de donkerbruine mouwomslagen. Verder waren deze lieden herkenbaar aan het politieteken op helm en pet. Hun
rangonderscheidingen leken op die van het leger, maar dan op donkerbruine stof-fundering.